Deze tentoonstelling brengt het werk van twee kunstenaars samen: Damien-Paul Gal en Wolfgang Petsch.
Wolfgang Petsch
De conceptuele genealogie van het werk van Wolfgang Petsch vindt zijn oorsprong in een onverwacht voorwerp: de muizenval. Dit minimalistische, triviale en puur functionele voorwerp, dat tijdens zijn studie aan La Cambre onder de beslissende invloed van kunsthistorica France Borel werd geïntroduceerd, wordt in de visie van Petsch een onthuller van een verborgen architectuur van het vrouwelijke.
Waar Marcel Duchamp het gebruikte als een eenvoudig ready-made, ziet Petsch er een potentiële matrix in – een geometrie van spanning, verwachting en bevrijding, die de dubbele dynamiek van de vrouwelijkheid kan symboliseren zoals die in de cultuur is vastgelegd: vruchtbaar en gevreesd, discreet en centraal, kwetsbaar en soeverein.
Uit deze eerste intuïtie ontstaat geleidelijk wat de kunstenaar Davinismus noemt: een speculatieve en gefeminiseerde herlezing van de evolutie, waarin het vrouwelijke principe – en niet het competitieve mannelijke model – de ware kosmische motor van de schepping wordt.
Vanuit dit perspectief is de muizenval niet langer een instrument om te vangen: het wordt een mechanische metafoor voor de pre-baarmoeder, een abstract prototype van de oorspronkelijke schil. Het kondigt de verschijning van Venus aan, niet langer als een verstard archeologisch figuur, maar als een kosmologisch vaartuig, een actieve matrix van een vernieuwd oorsprongsverhaal.
De overgang van de val naar Venus maakt zo de weg vrij voor de Vrouwelijke Cyclus van de Raket, waarin evolutie niet langer wordt gezien in termen van verovering of overheersing, maar als circulatie, vruchtbaarheid, transformatie en een stralende terugkeer van de waarde.
De raket, traditioneel een mannelijk symbool van opwaartse kracht, wordt door Petsch omgekeerd en geherinterpreteerd als een humoristisch vruchtbaarheidsorgaan, waar parodie wet wordt, wet humor wordt en humor kosmologie wordt.
Zo stelt Petsch, van het meest bescheiden object tot de meest mythische figuur, een nieuwe grammatica van de oorsprong voor: een universum waarin de scheppende energie vrouwelijk en cyclisch is, en oneindig in staat is zichzelf opnieuw uit te vinden.
De volledige uitwerking van deze structuur is te vinden in Manifesto No. 1 — Feminine Cosmology (op aanvraag verkrijgbaar).
Damien-Paul Gal
Als hij aan het begin van de twintigste eeuw was geboren, zou Damien-Paul Gal ongetwijfeld een surrealist zijn geweest. In de jaren zestig had hij een activist kunnen zijn, in de trant van Jean-Jacques Lebel, de happening kunnen uitvinden en zich onder de avant-gardisten kunnen begeven. Maar als je het hem zou vragen, zou hij ongetwijfeld liever in de jaren 70 in New York geboren zijn om zich te mengen in de popart, bij Andy Warhol en Jean-Michel Basquiat. Alleen is hij nu eenmaal in Bretagne geboren en dat hij in Brussel woont en werkt, is niet per se de schuld van Magritte.
In zijn vraag “Dans Quel monde Vuitton?”, die op veel van zijn werken staat, zien we in ieder geval een soort verwantschap met het beroemde “Ceci n’est pas une pipe” van de Belgische kunstenaar. Damien-Paul Gal is een harde werker die zich verdiept in alle technieken – schilderkunst, beeldhouwkunst, collages, performances – en evenzoveel materialen – kunststof, leer, metaal, papier – en toont alle facetten van de veelzijdige kunstenaar van de 21e eeuw. Altijd kritisch, altijd bezorgd, eeuwig rebels, voortdurend actief op sociale media, verontwaardigt hij zich op zijn eigen manier over de gang van zaken in de wereld. Doordrenkt van popcultuur, een doorgewinterde verzamelaar van hedendaagse kunst, boeken en prenten die hij verzamelt naar gelang zijn ontmoetingen en zijn favorieten, bezit Damien-Paul Gal een picturale taal die moeilijk in een hokje te plaatsen is.
Natuurlijk herkennen we hier en daar een verwijzing, een motief ontleend aan Keith Haring, een knipoog naar Gainsbourg of een stripachtig silhouet, maar zijn gevoel voor compositie is geheel eigen aan hem. Ook al neigt zijn gehele oeuvre ertoe de kritiek van de popart op de uitwassen van de consumptiemaatschappij te heraktualiseren, daar blijft het niet bij.
Er is bij Damien-Paul Gal ongetwijfeld een benadering die doet denken aan die van de nieuwe realisten, zoals César en Armand, in zijn mise en abyme van gesmolten en samengevoegde plastic zakken. Sommigen menen in zijn werk een zoveelste variant van de straatkunst te zien, hoewel ze moeite hebben om dit uitgestrekte universum te definiëren. Maar sjablonen of spuitbussen zijn voor hem slechts een medium zoals elk ander, geen doel op zich. De stad om hem heen veroveren is immers slechts een middel om zijn werk bekend te maken.
Net als Pokemon verandert Damien-Paul Gal, evolueert hij, en zijn avatars zijn onvoorspelbaar, nooit waar je ze verwacht. Eén ding is zeker: ze behoren tot een snelgroeiend ras. Of zijn werk nu gevoed wordt door gerecycled papier of het monogram van een geglobaliseerd luxemerk, het behandelt een voor de kunstenaar belangrijke problematiek: de relatie van het individu met zijn omgeving, en stelt de duurzaamheid van het westerse ontwikkelingsmodel ter discussie, onder het mom van afleiding en gevatte opmerkingen.
Wat zijn werken nog unieker maakt, is juist dat hij met taal speelt, als een ietwat ontgoochelde dichter of als een klokkenluider die in de woestijn roept. De wereld van Damien-Paul Gal wemelt van gezichten en kleuren, en speelt met de codes van de post-pop of de narratieve figuratie. Zijn gedurfde, ongeëvenaarde syncretisme drukt met verve uit waarin hij gelooft. Ver verwijderd van de ranglijsten en kliekjes, de gouden kalveren van de hedendaagse kunst en de platina en diamanten schedels van Damien Hirst waar verzamelaars voor in de rij staan. Maar dat zou heel goed kunnen veranderen.